vrijdag 16 juli 2010
- Kiekeboe!
- ghrr
- KIEKEBOE!
- ghr krg
- KIEKEBOEOEOE!
- ughri krgigrigri
Bonkje staat bij de box en doet kiekeboe.
Niet zoals wij het doen, heel rustig, maar in de vijfde versnelling – met bijbehorend geluidsniveau.
Bloem kraait van plezier en wiebelt met haar armpjes en beentjes.
Hoera, succes!
Aangemoedigd door Bloems reactie doet Bonkje (stuiter de stuiter) er nóg een schepje bovenop.
- KIEKEBOE KIEKEBOE KIEKEBOEOEOE!!!
- krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrr
Bloem verslikt zich bijna van het lachen.
Wat heeft Bonkje in retrospectief een saaie babytijd gehad – met alleen maar een papa en mama om op een hele verantwoorde en gezapige manier kiekeboe mee te kunnen spelen. Gelukkig had ze Zoeff nog om naar te kijken – en om stiekem rozijntjes aan te voeren toen ze iets groter was.
Bloem zit op schoot, Bonkje op een bureaustoel die kan draaien voor haar neus.
En draaien doet ze – de stoel valt nog net niet om.
- Leuk hè, Bloem? (draai) Dat vind jij leuk he? (draai) Leuk als je grote (draai) zus zo doet hè? (draai)
- krgighigrhigriii gri kgrrie
- Ja hè Bloem? (draai)
Bloems kleine lijfje schudt op en neer van de pret terwijl Bonkje steeds onstuimiger wordt.
Bonkje en Bloem zitten achterin de auto.
- APFOEOEH!
- ghr krgi
- APFOEOEH!
- ughri krgigrigri
- APFOEOEOEOEOEH!!!
- ughr ieieieie
- APFOEOEOEOEOEOEOEOEH!!!
- Bonkje! Niet zo hard! - krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrr
- APFOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEH!!!
- Bonkje! - krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrriiii
Tja, als je zo’n succes hebt bij je kleine zusje, dan valt het ook niet mee om te luisteren naar dat gezeur van je ouders….en Bloem vindt het toch heel leuk? Dus waarom is het nou weer niet goed?!!! Tsssk!
Bloem zit in haar wipstoeltje.
- Ik vind haar zo schattig - ik zou haar het liefst helemaal willen platknuffelen, maar dat doe ik niet, want ze is nog veel te klein.
- Heel goed lieverd.
- Hallo Bloem! Hier is je grote zus! Je grote zus gaat jou een kusje geven!
Bonkje zet haar handen op de wipstoel die meteen flink naar beneden buigt, geeft Bloem een kusje en laat de wipstoel weer los, waarna Bloem bijna gelanceerd wordt – ware het niet dat ze goed vast zit.
- krgighigrhigr aagragrrrr kgrr ie
- Bonkje! Niet zo hard leunen! Kijk nou!
- Ik leun helemaal niet hard!
- Jawel, dat kan ik toch zien.
Boos loopt Bonkje de kamer uit.
Het valt niet mee om grote zus te zijn.
Maar ook niet om ouder te zijn. Het is soms zoeken naar de grens – wat kan je nog toelaten en wanneer moet je ingrijpen voordat er echt een keer ongelukken gebeuren?
Of voordat je echt doof wordt.
Gelukkig is de lucht snel weer geklaard.
Bloem begint te stralen als haar grote zus de kamer weer in komt.
- ie ie ie
Verwachtingsvol trappelt ze met haar beentjes…
vrijdag 25 juni 2010
Er zijn op Bonkjes school jaarlijks terugkerende festiviteiten waar zij zich al tijden van tevoren op verheugt. Het zomerfeest is er één van.
Er zijn op Bonkjes school jaarlijks terugkerende festiviteiten waar ik al tijden van tevoren tegenop zie. Het zomerfeest van vandaag bijvoorbeeld.
Aangezien vrijdag mijn vrije dag is, besluit ik vóór het feest een middagdutje te doen, in de hoop dat ik het na een beetje rust kan opbrengen om er een uur lang min of meer glimlachend rond te lopen. Zodra ik Bloem in haar bedje heb gelegd, duik ik zelf in bed. Bonkje wekt me een paar keer - is het al bijna tijd om naar het feest te gaan? - maar ik val telkens weer in slaap en begin te dromen. Over het zomerfeest.
In dromen kan alles – zelfs zomerfeesten kunnen fantastisch zijn. Het feest in mijn droom is dat echter niet. Tenminste, niet in positieve zin.
Wanneer het feest zich plotseling verplaatst naar onze achtertuin, die in een soort modderpoel veranderd blijkt te zijn, wordt het er niet beter op. Niemand schijnt de modder op te merken en praat, drinkt en eet vrolijk door, terwijl ik met mijn hakken steeds verder wegzak in de modder en ondertussen de nieuwe schutting tussen onze tuin en die van de buren zie versplinteren en bezwijken. Dat is de druppel die de emmer doet overlopen en opeens sta ik, terwijl ik mijn hakken wild om me heen slinger, luidkeels te schreeuwen: ‘Welke idioot heeft dit *** bedacht?!’
Tja. Ik heb geen Freud nodig om me uit te leggen dat ik misschien een beetje (te) moe ben en dat ik het misschien een klein beetje (te) druk heb.
Maar ja, ik heb Bonkje beloofd dat we in ieder geval een uurtje gaan en ze heeft het verdiend.
Het is negen uur.
Het zomerfeest is weer achter de rug. Bonkje heeft haar uurtje feest meegepikt en ik ben het uur zonder ongelukken – huilbuien ofzo - doorgekomen. Uitgerust voelde ik me na mijn dutje niet bepaald, maar wellicht heeft het toch nog zijn vruchten afgeworpen – na zo’n droom kon de werkelijkheid eigenlijk alleen nog maar meevallen.
woensdag 16 juni 2010
Toen ik op de lagere school zat was er geen WK-voetbal. Of misschien was het er wel, maar ik kan me niet herinneren dat daar op school aandacht aan werd besteed. Ik kan me alleen nog de eeuwige strijd tussen de Ajax- en Feyenoordfans op school herinneren. Die strijd bleef redelijk onschuldig overigens en bestond vooral uit het zingen van het liedje ‘Feyenoord, op de plee, doortrekken en weg ermee!’ Of: ‘Ajax, op de plee, doortrekken en weg ermee!’ – al naargelang het kamp waarin je thuishoorde.
Vorige week kregen we per e-mail een brief:
Het zal u waarschijnlijk niet ontgaan zijn dat zeer binnenkort het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika start. Evenals veel ouders hebben ook wij gemerkt dat dit op school bij veel kinderen erg leeft. In samenwerking met een aantal zeer enthousiaste ouders van onze school willen we maandag 14 juni dan ook een Oranje-dag houden. 14 juni is de eerste speeldag voor Oranje op het WK. ‘Onze jongens’ spelen hun eerste wedstrijd ’s middags om half 2. Dat willen we niet onopgemerkt voorbij laten gaan. We willen deze wedstrijd met alle kinderen gaan bekijken.
Hè? Ik lees de laatste alinea nog een keer. Met alle kinderen naar de voetbalwedstrijd kijken onder schooltijd? Ja, het staat er echt. Ik vind het ook leuk om naar wedstrijden van het Nederlands elftal te kijken, maar vind dit toch wel wat ver gaan. Hoezo, voetbalgekte?
We vragen alle kinderen (en ouders die willen komen kijken), zich helemaal in het Oranje uit te dossen. Hoe gekker hoe mooier zullen we maar zeggen. Voor de mooist uitgedoste supporter is er een prijs te winnen. Deze wordt in de pauze van de wedstrijd uitgereikt, hopelijk door een oud international en voormalig bondscoach. Wie dat is verklappen we nog niet! Tevens willen we in de komende dagen alle kinderen het Wilhelmus aanleren zodat ze mee kunnen zingen en weten wat een volkslied is. Als veel kinderen denken dat ‘Hup Holland hup’ het volkslied is, lijkt ons dat geen overbodige luxe.
Nee, dat vind ik ook wel ernstig. Het blijkt uiteindelijk alleen om het eerste couplet van het Wilhelmus te gaan, maar ach – ik vraag me af hoeveel Nederlanders het volkslied volledig uit hun hoofd kennen en aan de lipbewegingen te zien hebben sommige voetballers van het Nederlands elftal al moeite met het eerste couplet.
Aangezien er ook een andere kant van het WK is en wij onze leerlingen ook bewust willen maken van de wereld en de maatschappij waarin wij leven, willen we voor de wedstrijd met de groepen 3 t/m 8 ook stilstaan bij de minder ‘glamourous’ kant van het WK. Wij hebben hiervoor een gastspreker uitgenodigd. SOS Kinderdorpen hebben wij uitgenodigd om te praten met de kinderen over hoe het is om als kind in Zuid-Afrika te leven, te wonen en op te groeien. Tevens zullen zij in Zuid-Afrika een project gaan doen samen met de KNVB om Afrikaanse jongens opleiden tot voetbalcoaches. We zijn blij dat zij hebben toegezegd dit te komen doen. De kinderen zullen het zendingsgeld van komende week doneren aan SOS Kinderdorpen.
Dat is dan wel weer mooi, maar ik blijf er een beetje dubbel gevoel bij houden. Nou ja, het is zoals het is, dus op vrijdag ga ik met Bonkje op zoek naar oranje accessoires. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want hoewel Bonkje zich thuis graag verkleedt, wil ze in het openbaar vooral niet voor gek lopen.
Dit jaar ging ze voor het eerst verkleed mee om naar de carnavalsoptocht kijken, maar ja – dat was dan ook wel in een hele mooie prinsessenjurk. Het mag dus oranje zijn, maar wel móói oranje. We hebben geluk en vinden een oranje-wit zonnehemdje dat ze ook op andere momenten nog kan dragen. Heel wat beter dan een veel te groot en veel te duur oranje zweetshirt met nummer 10 erop. Een oranje fluitje heeft ze al, want daar heeft een jongetje afgelopen week op getrakteerd.
Tijdens het weekend verheugt ze zich enorm op de oranjedag en maandag is het dan eindelijk zo ver. Ik mag zowaar twee oranje ‘beessies‘ in haar haren vlechten en op haar armen – niet op haar gezicht, want dan ‘ziet iedereen het’ – wil ze graag twee ‘roodwitblauwehartjestattoos’. Het grote oranje beessie doet dienst als boa en het fluitje hangt om haar nek. Ik hoop voor de juffen en meesters dat ze oordopjes in hebben gedaan, maar voel me niet echt schuldig: het is tenslotte geen vuvuzela en de oranjedag was ook niet mijn idee.

Beessievlechtjes

Roodwitblauwehartjestattoo
Overdag luister ik met een aantal collega’s eerst via de radio en later via internet naar het verslag van de wedstrijd. Het is een vreemde wedstrijd met een bal ‘die niet daalt’ en waar spelers ‘in gaan’. En met een treffer in eigen doel van de Denen. De internetverbinding is een beetje traag, dus een paar tellen voor ik via internet hoor dat er een tweede doelpunt is gevallen, hoor ik al gejuich op straat en in een kamer even verderop. Dit keer is het Kuijt die heeft gescoord.
’s Avonds vraag ik aan Bonkje hoe het was.
‘Het was heel erg leuk. Maar aan het eind vond ik het wel een beetje saai worden.’
En hadden er meer kinderen een fluitje bij zich?
‘Ja, heel veel. En ook een heleboel toeters. Maar we mochten alleen fluiten als er een doelpunt was gevallen.’
Dan vraag ik wie het eerste doelpunt heeft gescoord.
Met een zucht antwoordt ze:
‘Nederland natuurlijk!’
Ze zegt er gelukkig nog net geen ‘dûh’ achteraan.
‘Was het een Nederlander die scoorde?’
‘Ja!’
Als manlief en ik iets zeggen over Denen die per ongeluk in eigen doel schieten, wordt ze een beetje boos.
Manlief en ik geven elkaar een knipoog. We zullen de buitenspelregel maar niet meer ter sprake brengen.
zaterdag 12 juni 2010
Er zijn mensen die het geen enkele moeite lijkt te kosten om drie keer per dag twee minuten lang hun tanden exact volgens voorschrift van tandarts en mondhygiënist te poetsen. Mensen die zich zonder klagen minimaal twee keer per week in het zweet werken bij de sportschool of op de sportclub. Die er naast werk en gezin een actief sociaal leven op nahouden zonder overspannen te raken. Die nooit chagrijnig lijken te zijn. Die hun hobby’s bijhouden. En die altijd, op elk moment van de dag, hun huis keurig op orde èn schoon weten te houden. Van die mensen die je op geen vuiltje kunt betrappen al zou je om drie uur ’s nachts binnenvallen.
Zo’n mens ben ik niet.
Ik sla die mensen vanaf de zijlijn met open mond gade terwijl ik me vertwijfeld afvraag of ik de enige ben die van een andere planeet komt.
De sportschool induiken hoef ik gelukkig niet meer van mezelf, maar het zou best prettig zijn als ik standaard iets gedisciplineerder met mijn zwakke plekken om zou kunnen gaan. Dus niet ééns in de vijf jaar een heel jaar lang wèl, om er daarna vier jaar lang weer een potje van te maken. Zoals met mijn eetpatroon het geval is.
Eten is denk ik mijn grootste valkuil. Ik hou van eten en iedere vier jaar wanneer de rem zoek is, zie ik in alles ook aanleiding om te eten. Als ik blij ben. Als ik boos ben. Als ik verdrietig ben. En ‘gewoon’ omdat het moet natuurlijk. Je kunt nu eenmaal niet – zoals met roken in ieder geval in theorie wel zou kunnen – helemaal stoppen met eten. Maar ja, het begrip ‘eten’ is nogal rekbaar.
Er zijn mensen die het geen enkele moeite lijkt te kosten om altijd gezond en met mate te eten – en die als ze eens een keer een uitspatting hebben gehad, de volgende dag gewoon even wat kalmer aandoen zodat er geen vuiltje aan de lucht is. Die een hele voorraadkast vol met koekjes, chips en chocola en een vriesvak vol met ijs kunnen hebben zónder die in recordtempo te plunderen. Die zelfs dan nog kunnen denken: ik neem wel een appel.
Zo’n mens ben ik niet.
Ja, ééns in de vijf jaar ongeveer. Dan kan ik het enigszins. Maar die overige vier jaren ga ik voor de bijl. Niet alleen kan ik van alles aangrijpen als aanleiding om te eten, maar er zijn ook altijd allerlei hobbels die nopen tot voortzetting van dat gedrag en uitstel van een gezondere leefstijl. ‘Ja maar nú is het midden in de week – ik begin maandag wel’. Of: ‘ná dat etentje/ die verjaardag/ die vakantie/ de jaarwisseling is een goed moment.’ Of: ‘Nu geef ik nog borstvoeding, dan mag je niet afvallen’.
Het is niet dat ik niet van gezonde dingen hou, maar het vervelende is dat gezonde dingen vaak ook meer tijd vergen – een zak chips is in één ruk open; maar voor een kom vers fruit moet je toch net iets meer moeite doen. En kant-en-klare salades kun je tegenwoordig genoeg kopen, maar als je die nog een beetje gezond wil houden, zal je toch zelf de dressing moeten maken, want anders is zo’n salade vaak nog schrikbarend ’slecht’.
Gewoon een kwestie van discipline natuurlijk. Maar ja…
Vorige week zondag heb ik besloten dat het de hoogste tijd is voor een vijfde jaar. Want als ik niet in een moordend tempo afval, maar gestaag, moet dat zelfs tijdens het geven van borstvoeding wel kunnen. En uiteraard heb ik me ook dit keer weer voorgenomen om het nooit meer zo de spuigaten uit te laten lopen. Tijdperk koekiemonster moet maar eens afgelopen zijn. Op naar een standaard gesdiciplineerdere ik.
Morgen mag ik kijken of al het extra water, fruit, groente en het calorie- en vetarmere voedsel dat ik deze week tot me heb genomen al enig effect laat zien op de weegschaal. Spannend.
maandag 17 mei 2010
Ieder jaar gaan we een lang weekend weg met een groep vrienden die ooit begon als groep van vijf studenten, daarna uitbreidde naar studenten-met-aanhang en inmiddels bestaat uit vijf getrouwde stellen en elf kinderen in de leeftijd van 0 tot 10 jaar.
De weekenden zien er inmiddels iets anders uit dan in het begin maar het inpakken vóór het weekend begint is gebleven. Bij dat inpakken moet er goed worden opgelet. Vorig jaar bleek namelijk, toen we op de plaats van bestemming waren gearriveerd, dat we de tas met Bonkjes pyama, schone kleren, bedknuffel en laarzen thuis hadden laten staan. Waarna we – zodra de winkels de volgende dag open waren – maar een nieuwe garderobe voor haar hebben aangeschaft.
Tot haar grote geluk kreeg ze toen we terug kwamen bij het vakantiehuis bovendien nog een set met zeven Hello-Kitty-onderbroeken van onze vrienden, voor het geval wij geen kledingwinkel hadden kunnen vinden.
Hoewel Bonkje het leuk vond om nieuwe kleren te krijgen, is ze toch een beetje bezorgd of het dit jaar wel goed zal gaan. Als alle bagage beneden in de hal staat, hoor ik haar tegen manlief zeggen dat we niet moeten vergeten om Bloem mee te nemen, die nog in haar bedje ligt.
‘Nee hoor,’ zegt manlief, ‘we vergeten jou toch ook niet?’
‘Ja, maar Bloem is nog nieuw’ antwoordt Bonkje.
Ik moet er stilletjes om lachen.
‘We vergeten haar niet – we zijn jou, óók toen je zo klein was als Bloem nu is, nog nooit vergeten.’
Bonkje is gerustgesteld – een nieuw babyzusje kan je tenslotte niet kopen.