Dat past dus nooit in 140 tekens

vrijdag 30 september 2011

Hoezo 140 tekens?

*****
Zie ook:
http://dewereldvanims.nl/2009/02/01/twittermanie/
http://twitter.com/#!/Twittttermanie

Trefwoorden: ,
Rubriek(en): IMS | 2 reacties »

Huilen

maandag 1 augustus 2011

Terwijl ik haar luier verschoon, ‘leest’ Bloem een boekje van Nijntje.
‘Huiwle! Nijtje huiwle!’ zegt Bloem, terwijl ze naar de voorkant van het boekje wijst. Daar staat inderdaad een tekeningetje op van een huilende Nijntje.
‘Loem huiwle!’
‘Nee, jij hoeft toch niet te huilen?’

Bloem opent het boekje middenin. De bladzijden zijn her en der ietwat verkreukeld, maar gelukkig zitten er nergens flapjes of schuifjes die je op kan tillen of heen en weer kan schuiven. Zelfs de meest robuuste versies van dik karton overleven Bloems vernielzucht geestdrift nooit lang.

‘Nijtje!’
‘Ja, daar is Nijntje. Wat doet Nijntje?’
‘Nijtje huiwle!’
“Ja, Nijntje huilt. Nijntje is verdrietig omdat ze haar beertje kwijt is. Ze zoekt haar beer overal, zie je dat? Kijk, ze zoekt achter de kast. Maar daar is beer niet.’
‘Niet’
‘Nee. Weet jij waar beer wel is?’
‘Bir!’
‘Ja, beer.’
‘Nijtje bir! Jaaaaa!’
‘Ja, dáár is beer weer. Beer lag onder de dekens.’
”llo bir!’
‘Hallo beer!’

Even later kijken we een paar foto’s. Op één ervan heb ik Bloem gefotografeerd op een moment dat ze haar zin niet kreeg.
‘Loem huiwle!’ roept ze lachend.
En als ze zichzelf even later op een andere foto ontdekt, met een traan onder haar oog, wordt ze nog enthousiaster.
‘Loem huiwle!’
‘Nee, daar hoefde je niet te huilen, je hebt wel vaker zomaar een traan op je wang.’
Bloem trekt zich weinig van mijn uitleg aan – als ze die al snapt. Als je een traan hebt huil je en dat is reuzeinteressant.

’s Avonds wil ze niet gaan slapen. Zelfs nadat we haar slaapzak opnieuw hebben aangetrokken, aap weer in haar bed hebben gelegd, het laken weer hebben rechtgetrokken, nog een tijdje tegen haar aan hebben gepraat en haar muziekknuffel aan hebben gedaan, begint ze weer te brullen zodra we haar kamer uitlopen.

Na een paar minuten stopt het brullen.
‘Huiwle! Huiwle!’ klinkt het plotseling.

Trefwoorden:
Rubriek(en): Bloem | 7 reacties »

Staartje

vrijdag 22 juli 2011

Vervolg op Nagellak.

Of het nu kwam doordat ik zo was afgeleid door het nagellakverhaal, of doordat mijn hersens de door mijn ogen aangeboden informatie automatisch omzetten naar het beeld dat ik verwachtte te zien, weet ik niet.  Wel weet ik dat ik het pas de volgende ochtend bewust zag: een opvallend korte pluk haar aan de voorkant van Bonkjes hoofd.

Bonkjes haar is een verhaal apart. Waar je van de lengte van het haar dat bij sommige andere kinderen van zeven al is afgeknipt met gemak een lange slinger van minimaal een kilometer zou kunnen maken, kan je van het beetje haar die Bonkje bij de kapper is kwijtgeraakt misschien net een lintje van 10? 15? centimeter aan elkaar rijgen. De eerste drie jaar van haar leven was ze bijna kaal, maar toen ze naar de kleuterschool ging kon ik net twee pietepeuterige staartjes maken. Ik zie haar nog stralen, wat was ze trots!

Sindsdien heeft ze geduldig doorgespaard. Haar grote droom is haar tot op haar billen (net als Rapunzel) , maar ik heb haar al duidelijk gemaakt dat dat er waarschijnlijk niet in zit.

‘Waarom heb je dat nou gedaan? Wilde je opeens een pony?’
Bonkje kijkt naar de grond en knikt.
‘Maar waarom heb je dat dan niet gezegd, dan konden we het aan de kapper vragen?! En wanneer heb je dat dan gedaan?’
‘In de badkamer. Met het nagelschaartje.’
‘Toen je ook je nagels had gelakt?’
‘Ja.’
‘Waarom wilde je opeens een pony? Ken je iemand die een pony heeft?’
‘Ja.’
‘Wie dan?’
‘Weet ik niet meer.’
Ik probeer te bedenken of één van haar hartsvriendinnen een pony heeft, maar ik geloof het niet.
‘Een paar jongens in de klas hebben een pony.’
‘Oh?’
Ik neem me voor de klassenfoto nog eens goed te bestuderen – ik ben wel nieuwsgierig welke jongens zo’n indruk op mijn dochter hebben gemaakt dat ze opeens ook een pony wilde.

’s Middags haal ik haar uit school.
‘Ik heb de kapper gebeld, daar gaan we zo eerst even naar toe. Dan kan die kijken wat we het beste kunnen doen en of we een pony bij je kunnen laten knippen.’
‘Ik wil geen pony!’
‘Nee?’
‘Nee! En ik wil niet naar de kapper!’
‘Dan heb je pech, want we gaan. En je hoeft niet zo boos tegen mij te doen – ík heb je haar niet afgeknipt’
‘Mmm!’
Boos kijkt ze de andere kant op. Ik had duidelijk niet tegen de kapper mogen zeggen dat ze zelf haar haar had afgeknipt.

‘Wat is je haar hard gegroeid, meid! De laatste keer dat ik je zag was het nog een stuk korter.’
Een betere openingszin had de kapper niet kunnen bedenken. Bonkje ontdooit zichtbaar en wrijft een lok haar uit haar gezicht.
‘Ik zou geen pony knippen bij haar – ze haalt het nu al uit haar ogen.’
‘En dat plukje?’
‘Niets aan doen, dat is het beste, anders wordt het alleen maar erger.’
De kapper knipt alleen de puntjes aan de achterkant bij. Bonkje zit muisstil – een hele prestatie – en mag na afloop een snoepje uitzoeken.

Ik weet niet wat voor verrassingen ze nog meer voor ons in petto heeft, maar ik denk dat ze dít in ieder geval niet snel weer zal doen.

Trefwoorden: , ,
Rubriek(en): Bonkje | 4 reacties »

Held

dinsdag 12 juli 2011

Hoe komt het toch, dat wanneer iemand wordt uitgeroepen tot held, er meteen mensen zijn die dat heldendom met de bodem gelijk willen maken doordat de held ‘toch eigenlijk geen heldendaad heeft verricht’ en – zo proef je soms tussen de regels door – dat zij in zijn of haar plaats ‘precies hetzelfde zouden hebben gedaan’? 

Het viel me al eerder op, in december 2009, toen Jasper Schuringa tijdens een vlucht van Amsterdam naar Detroit een man had overmeesterd die iets in brand had gestoken en een explosie probeerde te veroorzaken in het vliegtuig. Schuringa verbrandde bij deze daad zijn handen. Hij werd meteen tot held uitgeroepen, maar dat leverde direct ook kritiek op van mensen die vonden dat het helemaal niet om het verijdelen van een gevaarlijke aanslag ging en dat er ’wel vaker brandjes worden geblust’. En hij had ook niet meer hebben gepresteerd dan een ander in zijn schoenen zou hebben gedaan. Toen vervolgens ook nog in het nieuws kwam dat de held alleen nog maar tegen betaling interviews wilde geven, was het hek helemaal van de dam.

Toen ik de reacties las - vaak fel op het agressieve af – vroeg ik me echt af waarom veel mensen het een ander blijkbaar niet gunnen als hij tot held wordt uitgeroepen. En waar al die mensen toch blijven op het moment dat er een held nodig is. Ik ben bang dat ik in ieder geval níet heldhaftig genoeg zou zijn geweest om te doen wat Jasper Schuringa deed. Hij zag zichzelf overigens niet als held, maar dat doet in mijn ogen niets af aan zijn heldendaad, die denk ik maar weinigen hem na hadden gedaan.  

Vandaag ging het op mijn werk tijdens de lunch over Johnny Hoogerland.
‘Een held?’ zei een collega ’Hij is gewoon gevallen!’
‘Aangereden, hard gevallen, bloedend en wel de etappe uitgereden en met drieëndertig hechtingen gisteren gewoon weer op de fiets gestapt.’
‘Ja, oké, hij is weer opgestapt; maar dan ben je toch nog geen held?’
In de krant las ik ongeveer eenzelfde reactie.
Ik had niet de indruk dat mijn collega of de persoon in de krant Hoogerland zijn ‘heldendom’ misgunde. Toch vond ik het jammer.

Hoogerland is iemand die echt iets kan. Iets dat niet iedereen kan - en iets waar velen volgens mij in ieder geval al die uren, jaren trainen niet voor over zouden hebben. Ja, de andere renners in de Tour, maar hoeveel zijn dat er nu helemaal? En dan doorzetten nadat je zo hard ten val bent gekomen - dat kunnen er nog minder. Nee, natuurlijk was zijn val niet zelfverkozen (zoals de actie van Schuringa dat wel was), maar hoe hij er daarna mee omging – en omgaat – getuigt van karakter. Vandaag werd hij na afloop van de etappe (de eerste na zijn val, gisteren was een rustdag) geïnterviewd door iemand van De NOS.

‘Ja Johnny, een diepe zucht; je bent er, je staat in de bollen, hoe was het?’
‘Zwaar en mooi tegelijk’
‘Wat voelde je onderweg – had je veel pijn, had je veel last, kon je draaien?’
‘Ja, ‘t ging; maar eh het ging niet vanzelf – maar ik denk - alle mensen die me aanmoedigden aan de weg;  alle renners die naar me toe kwamen, respect voor me hadden en die me gewoon in het begin omhoog duwden, dat gaf me toch wel behoorlijk wat adrenaline.’ 
Bron: nos.nl

Waarom is het zo erg dat er mensen zijn die hem nu als held zien? Dat is toch mooi! Gun hùn hun held – en hèm het predikaat.

Nagellak

vrijdag 1 juli 2011

Met Bloem nog in haar slaapzak sta ik voor het raam. Een vast ritueel – voor we gaan aankleden kijken we even of er vogels aan het eten zijn van het lekkers dat de buurvrouw voor ze ophangt. Dat is vrijwel altijd raak. Soms zien we zelfs een groene papegaai.
‘Ogel, ogel!’
Bloem trappelt met haar voetjes duwt een natte vinger tegen het raam.

Bonkje komt binnen. Ze wurmt zich naast ons om ook naar buiten te kunnen kijken.
…. ‘Wat heb jíj gedaan?’ vraag ik Bonkje. Het raam staat nog open, maar desondanks hangt er een verstikkende lucht om Bonkje heen. Ik kijk naar haar vingers.
Haar nagels zijn roze en bobbelig. Stukjes van haar vingers om haar nagels heen, ook.
‘Heb jij net je nagels gelakt?’
‘Ja.’
‘Dacht je dat mama dat niet zou merken?’
Bonkje kijkt de andere kant op.
‘Geef eens antwoord?’
‘Mmm’. Ze haalt haar schouders op.
‘Hé, dat is niet de bedoeling hè? Kom, we gaan het er heel snel afhalen. En als je het echt zo graag wil moet je het even vragen en dan kunnen we je nagels samen lakken, als we wat meer tijd hebben.’

Ik snap wel dat ze het liefst elke dag nagellak op zou willen – ik weet nog hoe fantastisch ik het zelf vond als kind, maar helaas voor Bonkje ben ik vaak een strenge moeder. Af en toe mag het. Laatst heb ik haar zelfs, ondanks mijn eigen afgrijzen, de blauwe en paarse lak* die ze bij de naschoolse opvang op haar nagels had gesmeerd (elke hand een andere kleur) een paar dagen op laten houden voor we het er af haalden.

Anderhalve week later blijkt de nood echter te hoog om op mijn fiat te wachten.
Voor ze naar school gaat laat ze me trots haar rode nagels zien.
‘Kijk mama, bij de naschoolkse opvang gedaan! Mooi hè? Of vind je het te fel?’
‘Uhm’ zeg ik – en kijk naar de klodders op haar nagels… ergens klopt er iets niet, maar omdat ik gisterenavond pas thuis kwam toen ze al in bed lag, kan ik er niet direct mijn vinger op leggen … ik kijk op mijn horloge. Geen tijd meer. Laat maar gaan dan.
‘Hop, gauw je jas aan, anders komen jullie te laat!’
Ik zwaai manlief en twee blije dochers uit.

Als ik mijn tanden sta te poetsen in de badkamer, zie ik een rood vlekje in de wasbak. Wegvegen lukt niet, ik moet het loskrabben. Rood vlekje op het deurtje waar onze toiletspullen staan. En mijn rode nagelllak.
- Voor iemand die geen nagellakliefhebber is en die een man heeft die ook geen grote fan is van make-up, heb ik een eigenaardige gewoonte. In de zomer lak ik mijn teennagels rood. Dat voel ik me net iets charmanter op de momenten dat ik mijn heerlijk zittende maar niet erg sexy en door mijn man niet bijster gewaardeerde maar lijdzaam geaccepteerde Birkenstocks draag.  -
Mijn onderbuikgevoel en het eerste rode vlekje waren eigenlijk al voldoende, maar voor het geval ik nog mocht twijfelen is ook het randje mijn lensenhouder plotseling rood en is de dop van het potje lak ook niet meer helemaal zoals ik me meen te herinneren.

‘Wanneer heb je dat dan gedaan?’
‘Gisteravond, in de badkamer. Met de deur op slot zodat er niemand kon binnen komen.’
En ja, naar de wc gaan of een slokje water drinken mag, dus als we haar naar de badkamer horen gaan, voelen we ook niet direct nattigheid.
Ik vraag niet waarom ze er zo’n fantasieverhaal van heeft gemaakt. De nagellak van de naschoolse opvang mocht een paar dagen blijven zitten, de nagellak die ze ’s ochtends snel thuis op had gesmeerd, niet. Dit soort optelsommetjes gaat zelfs mij makkelijk af.
‘Ik vind het echt heel vervelend dat je zei dat je het bij de naschoolse opvang had gedaan. Op die manier weten papa en ik niet meer wanneer we je kunnen geloven. En dan vertel je straks misschien iets dat wèl waar is, maar dan denken wij dat je jokt.’
Bonkje zwijgt en kijkt naar de grond.
‘Snap je dat?’
Ze knikt.
‘Zal je het niet meer doen dan nu? En niet meer stiekem je nagels gaan lakken?’
‘Nee.’
‘Weet je wat mama heeft bedacht?’
Mijn toon is veranderd. Ze kijkt me vragend aan.
- noot voor manlief: even ademhalen voor je verder leest -
‘In de vakantie mag jij samen met mama jouw teennagels ook rood lakken, maar het mag niet de hele vakantie blijven zitten, dus dan moet je er maar even goed over nadenken wanneer je dat dan wil. Misschien pas als we op vakantie gaan?’
Haar ogen twinkelen.
Manlief heeft geen schijn van kans. Deze zomer loopt hij naast twéé vrouwen met gelakte teennagels. Misschien moet hij maar snel een paar leuke teenslippertjes met Bonkje gaan kopen voor ze óók nog in Birckenstocks loopt.

_______
*ongeveer dezelfde kleuren nagellak die Bonkje een vriendinnetje dat om nagellak vroeg voor haar verjaardag heeft gegeven. De moeder van het vriendinnetje zal me erg dank baar zijn…

Trefwoorden: ,
Rubriek(en): Bonkje | 2 reacties »