Tijdens het avondeten kan het gesprek over van alles gaan.
‘Geloven jullie in God?’
‘Nee, ik geloof niet in God.’
‘Oh, ik wel. En geloven jullie in die knal?’
‘De oerknal bedoel je? Ja, daar geloof ik wel in.’
‘Geloven jullie dat echt?!’ – Bonkje kijkt ons vol ongeloof aan en zegt dan stellig: ‘nou, daar geloof ik dus ècht niet in!’
Behalve God kan ook een zekere heiligverklaarde bisschop uit Myra nog steeds op een rotsvast geloof rekenen. Vorig jaar vroegen we ons al wel eens af hoe lang dat geloof nog stand zou houden, maar zodra Bonkje ergens vraagtekens bij plaatste, wist ze er meteen wel weer een plausibele verklaring voor te bedenken. En soms is de bewijslast van buitenaf ook wel heel sterk – bijvoorbeeld als je Sinterklaas met eigen ogen jouw naam in zijn nieuwe grote boek ziet schrijven:
En Bloem?
Bloem kijkt mee naar de man met de baard (‘Dat is Sinterklaas’, zegt Bonkje) en naar de pieten die allemaal mooie gekleurde mutsen hebben. Het duurt wel een beetje lang (Sssst! zegt Bonkje). Maar dan mag ze net als Bonkje haar schoen voor de tuindeur zetten. En, terwijl ze net als Bonkje van haar ene been op het andere probeert te wippen (zo hoort dat blijkbaar), zingt ze liedjes met haar. Het is helemaal niet erg als ze een liedje niet kent, want dan luistert ze gewoon goed naar haar grote zus en dan doet ze het na. Het is wel vervelend dat ze die appel niet uit haar schoen mag pakken (‘Nee, die is voor het paard’, zegt Bonkje – het paard? waar?), maar de volgende dag zit er plotseling een mandarijn in, die ze wél mag pakken. En mag opeten. Wat een feest! Oh, en kijk eens, Bonkje heeft de schoen omgekeerd en er komen ook nog een paar ronde minikoekjes uit, mjam! En onder de schoen ligt ook nog een pakje! Een pakje voor Bloem? Hoera, het is een boekje van Nijntje!
Terwijl ik haar luier verschoon, ‘leest’ Bloem een boekje van Nijntje.
‘Huiwle! Nijtje huiwle!’ zegt Bloem, terwijl ze naar de voorkant van het boekje wijst. Daar staat inderdaad een tekeningetje op van een huilende Nijntje.
‘Loem huiwle!’
‘Nee, jij hoeft toch niet te huilen?’
Bloem opent het boekje middenin. De bladzijden zijn her en der ietwat verkreukeld, maar gelukkig zitten er nergens flapjes of schuifjes die je op kan tillen of heen en weer kan schuiven. Zelfs de meest robuuste versies van dik karton overleven Bloems vernielzucht geestdrift nooit lang.
‘Nijtje!’
‘Ja, daar is Nijntje. Wat doet Nijntje?’
‘Nijtje huiwle!’
“Ja, Nijntje huilt. Nijntje is verdrietig omdat ze haar beertje kwijt is. Ze zoekt haar beer overal, zie je dat? Kijk, ze zoekt achter de kast. Maar daar is beer niet.’
‘Niet’
‘Nee. Weet jij waar beer wel is?’
‘Bir!’
‘Ja, beer.’
‘Nijtje bir! Jaaaaa!’
‘Ja, dáár is beer weer. Beer lag onder de dekens.’
”llo bir!’
‘Hallo beer!’
Even later kijken we een paar foto’s. Op één ervan heb ik Bloem gefotografeerd op een moment dat ze haar zin niet kreeg.
‘Loem huiwle!’ roept ze lachend.
En als ze zichzelf even later op een andere foto ontdekt, met een traan onder haar oog, wordt ze nog enthousiaster.
‘Loem huiwle!’
‘Nee, daar hoefde je niet te huilen, je hebt wel vaker zomaar een traan op je wang.’
Bloem trekt zich weinig van mijn uitleg aan – als ze die al snapt. Als je een traan hebt huil je en dat is reuzeinteressant.
’s Avonds wil ze niet gaan slapen. Zelfs nadat we haar slaapzak opnieuw hebben aangetrokken, aap weer in haar bed hebben gelegd, het laken weer hebben rechtgetrokken, nog een tijdje tegen haar aan hebben gepraat en haar muziekknuffel aan hebben gedaan, begint ze weer te brullen zodra we haar kamer uitlopen.
Na een paar minuten stopt het brullen.
‘Huiwle! Huiwle!’ klinkt het plotseling.
Of het nu kwam doordat ik zo was afgeleid door het nagellakverhaal, of doordat mijn hersens de door mijn ogen aangeboden informatie automatisch omzetten naar het beeld dat ik verwachtte te zien, weet ik niet. Wel weet ik dat ik het pas de volgende ochtend bewust zag: een opvallend korte pluk haar aan de voorkant van Bonkjes hoofd.
Bonkjes haar is een verhaal apart. Waar je van de lengte van het haar dat bij sommige andere kinderen van zeven al is afgeknipt met gemak een lange slinger van minimaal een kilometer zou kunnen maken, kan je van het beetje haar die Bonkje bij de kapper is kwijtgeraakt misschien net een lintje van 10? 15? centimeter aan elkaar rijgen. De eerste drie jaar van haar leven was ze bijna kaal, maar toen ze naar de kleuterschool ging kon ik net twee pietepeuterige staartjes maken. Ik zie haar nog stralen, wat was ze trots!
Sindsdien heeft ze geduldig doorgespaard. Haar grote droom is haar tot op haar billen (net als Rapunzel) , maar ik heb haar al duidelijk gemaakt dat dat er waarschijnlijk niet in zit.
‘Waarom heb je dat nou gedaan? Wilde je opeens een pony?’
Bonkje kijkt naar de grond en knikt.
‘Maar waarom heb je dat dan niet gezegd, dan konden we het aan de kapper vragen?! En wanneer heb je dat dan gedaan?’
‘In de badkamer. Met het nagelschaartje.’
‘Toen je ook je nagels had gelakt?’
‘Ja.’
‘Waarom wilde je opeens een pony? Ken je iemand die een pony heeft?’
‘Ja.’
‘Wie dan?’
‘Weet ik niet meer.’
Ik probeer te bedenken of één van haar hartsvriendinnen een pony heeft, maar ik geloof het niet.
‘Een paar jongens in de klas hebben een pony.’
‘Oh?’
Ik neem me voor de klassenfoto nog eens goed te bestuderen – ik ben wel nieuwsgierig welke jongens zo’n indruk op mijn dochter hebben gemaakt dat ze opeens ook een pony wilde.
’s Middags haal ik haar uit school.
‘Ik heb de kapper gebeld, daar gaan we zo eerst even naar toe. Dan kan die kijken wat we het beste kunnen doen en of we een pony bij je kunnen laten knippen.’
‘Ik wil geen pony!’
‘Nee?’
‘Nee! En ik wil niet naar de kapper!’
‘Dan heb je pech, want we gaan. En je hoeft niet zo boos tegen mij te doen – ík heb je haar niet afgeknipt’
‘Mmm!’
Boos kijkt ze de andere kant op. Ik had duidelijk niet tegen de kapper mogen zeggen dat ze zelf haar haar had afgeknipt.
‘Wat is je haar hard gegroeid, meid! De laatste keer dat ik je zag was het nog een stuk korter.’
Een betere openingszin had de kapper niet kunnen bedenken. Bonkje ontdooit zichtbaar en wrijft een lok haar uit haar gezicht.
‘Ik zou geen pony knippen bij haar – ze haalt het nu al uit haar ogen.’
‘En dat plukje?’
‘Niets aan doen, dat is het beste, anders wordt het alleen maar erger.’
De kapper knipt alleen de puntjes aan de achterkant bij. Bonkje zit muisstil – een hele prestatie – en mag na afloop een snoepje uitzoeken.
Ik weet niet wat voor verrassingen ze nog meer voor ons in petto heeft, maar ik denk dat ze dít in ieder geval niet snel weer zal doen.
Hoe komt het toch, dat wanneer iemand wordt uitgeroepen tot held, er meteen mensen zijn die dat heldendom met de bodem gelijk willen maken doordat de held ‘toch eigenlijk geen heldendaad heeft verricht’ en – zo proef je soms tussen de regels door – dat zij in zijn of haar plaats ‘precies hetzelfde zouden hebben gedaan’?
Het viel me al eerder op, in december 2009, toen Jasper Schuringa tijdens een vlucht van Amsterdam naar Detroit een man had overmeesterd die iets in brand had gestoken en een explosie probeerde te veroorzaken in het vliegtuig. Schuringa verbrandde bij deze daad zijn handen. Hij werd meteen tot held uitgeroepen, maar dat leverde direct ook kritiek op van mensen die vonden dat het helemaal niet om het verijdelen van een gevaarlijke aanslag ging en dat er ’wel vaker brandjes worden geblust’. En hij had ook niet meer hebben gepresteerd dan een ander in zijn schoenen zou hebben gedaan. Toen vervolgens ook nog in het nieuws kwam dat de held alleen nog maar tegen betaling interviews wilde geven, was het hek helemaal van de dam.
Toen ik de reacties las - vaak fel op het agressieve af – vroeg ik me echt af waarom veel mensen het een ander blijkbaar niet gunnen als hij tot held wordt uitgeroepen. En waar al die mensen toch blijven op het moment dat er een held nodig is. Ik ben bang dat ik in ieder geval níet heldhaftig genoeg zou zijn geweest om te doen wat Jasper Schuringa deed. Hij zag zichzelf overigens niet als held, maar dat doet in mijn ogen niets af aan zijn heldendaad, die denk ik maar weinigen hem na hadden gedaan.
Vandaag ging het op mijn werk tijdens de lunch over Johnny Hoogerland.
‘Een held?’ zei een collega ’Hij is gewoon gevallen!’
‘Aangereden, hard gevallen, bloedend en wel de etappe uitgereden en met drieëndertig hechtingen gisteren gewoon weer op de fiets gestapt.’
‘Ja, oké, hij is weer opgestapt; maar dan ben je toch nog geen held?’
In de krant las ik ongeveer eenzelfde reactie.
Ik had niet de indruk dat mijn collega of de persoon in de krant Hoogerland zijn ‘heldendom’ misgunde. Toch vond ik het jammer.
Hoogerland is iemand die echt iets kan. Iets dat niet iedereen kan - en iets waar velen volgens mij in ieder geval al die uren, jaren trainen niet voor over zouden hebben. Ja, de andere renners in de Tour, maar hoeveel zijn dat er nu helemaal? En dan doorzetten nadat je zo hard ten val bent gekomen - dat kunnen er nog minder. Nee, natuurlijk was zijn val niet zelfverkozen (zoals de actie van Schuringa dat wel was), maar hoe hij er daarna mee omging – en omgaat – getuigt van karakter. Vandaag werd hij na afloop van de etappe (de eerste na zijn val, gisteren was een rustdag) geïnterviewd door iemand van De NOS.
‘Ja Johnny, een diepe zucht; je bent er, je staat in de bollen, hoe was het?’
‘Zwaar en mooi tegelijk’
‘Wat voelde je onderweg – had je veel pijn, had je veel last, kon je draaien?’
‘Ja, ‘t ging; maar eh het ging niet vanzelf – maar ik denk - alle mensen die me aanmoedigden aan de weg; alle renners die naar me toe kwamen, respect voor me hadden en die me gewoon in het begin omhoog duwden, dat gaf me toch wel behoorlijk wat adrenaline.’
Bron: nos.nl
Waarom is het zo erg dat er mensen zijn die hem nu als held zien? Dat is toch mooi! Gun hùn hun held – en hèm het predikaat.